Basisinformatie
|
|
Basisinformatie
In tegenstelling tot een geboord gat (evt. fijngeponst
gat) heeft een geperforeerd gat geen cilindrische doorsnede over zijn
volle lengte.
Aan de inloopzijde van de nippel op de plaat is altijd min of meer een
inloopzone aanwezig (vervorming van het materiaal). Aan de uitloopzijde
(= matrijszijde) is altijd een braam aanwezig.
Afhankelijk van het materiaal (taai of bros, hard of zacht, enz.) en afhankelijk
van de snijspeling (speling tussen nippel en matrijsgat) zullen de lengten
van de drie genoemde zones variëren en zal ook de uitbreekdiameter
groter of kleiner zijn. Hoe harder en brosser het materiaal, hoe langer
de uitbreekzone. Hoe taaier en zachter het materiaal, hoe langer de snijzone.
Het kleinst te perforeren gat hangt hoofdzakelijk
af van de materiaaldikte en de materiaalsoort. Als vuistregel geldt, dat
de gatdiameter niet kleiner kan zijn dan de plaatdikte. Hoe meer de diameter/dikteverhouding
deze ondergrens nadert, hoe hoger de belasting van het gereedschap wordt
en hoe groter de kans op gereedschapbreuk. Tevens zal daarmee de materiaalvervorming
en spanning in de plaat nadelig worden beïnvloed. |